Taalontwikkeling

1 Wat is het?

7% van de kinderen heeft een taalontwikkelingsstoornis (gemiddeld 2 kinderen per klas).

Kinderen imiteren het leesgedrag en het taalgebruik van volwassenen. Laat dus zien dat u zelf plezier heeft in lezen en lees ook van jongs af aan veel voor! Een voorloper van het imiteren van taal is het imiteren van handelingen. Een voorloper van het imiteren van taal is het imiteren van handelingen.

U kunt heel lang voorlezen! Ook al zijn uw kinderen al wat ouder, voorlezen blijft belangrijk! De leeswoordenschat bouwt voort op de mondelinge woordenschat. Vroege interventie is dan ook van belang! Het aantal woorden dat een kind kent, groeit vaak explosief rond de 18 maanden. Brein baby gebaat bij volwassen taalgebruik. Gebruik dus geen rare woordjes en baby gebrabbel.

Bij sommige kinderen duurt het wat langer voor er een goede taalontwikkeling op gang komt. Een op de tien Nederlanders tussen de 16 en 65 jaar is laaggeletterd. Praat veel met uw kind, kinderen hebben veel herhaling nodig om woorden te leren begrijpen en gebruiken. Spreek rustig en duidelijk, zodat uw kinderen de tijd krijgen om nieuwe woorden te leren. Tot de tijd dat een kind leert lezen maakt het zich vooral woorden eigen door interactie met zijn ouders en omgeving.

Begrijpend lezen begint niet op het moment dat kinderen leren lezen, de ontwikkeling start al vanaf geboorte. Bij begrijpend lezen schakelt een kind telkens tussen de informatie uit de tekst en zijn of haar eigen kennis. Voor goed leren begrijpend lezen is een voldoende technisch leesniveau, woordenschat en kennis van de wereld van belang. Wist u dat 95% van de gelezen woorden bekend moet zijn om een tekst goed te kunnen begrijpen?

Een logopedist is er om te voorkomen en behandelen van problematiek op het gebied van adem, stem, spraak, taal en gehoor en op de mondelinge communicatie van denken, horen, spreken en begrijpen. Een logopedist signaleert, herkent, onderzoekt en behandelt de problematiek. Een logopedist geeft voorlichting, advies en begeleiding aan kinderen en volwassen. Wanneer uw onder behandeling bent van een logopedist dan krijgt u huiswerk mee. Het is de bedoeling dat u het gene wat u heeft geleerd in de behandeling thuis dagelijks oefent.

2 Herkennen

Hoeveel woorden kent mijn kind? Vanaf de 18 maanden groeit de woordenschat explosief. Aan het einde van de basisschool kent uw kind minimaal 15.000 woorden. Dit is nodig om een goede start te kunnen maken op het voorgezet onderwijs. De woordenschat van kinderen die veel lezen is in het algemeen 4 keer zo groot dan die van kinderen die zelden of nooit Voordat een kind taal zelf gebruikt, moet hij het eerst begrijpen. Bied dus veel taal aan door voorlezen en benoemen. De leeswoordenschat bouwt voort op de mondelinge woordenschat. Vroege interventie is dan ook van belang!

De signalen van een taalontwikkelingsachterstand (TOS) zijn:

  1. Moeite met de taalvorm, onjuiste grammatica, woordvorming en zinsopbouw.
  2. Moeite met het uitspreken van klanken en van woorden met meer lettergrepen.
  3. Niet goed begrijpen wat er gezegd wordt.
  4. Langzame opbouw van woordenschat, weinig woorden leren en moeite het juiste woord te kiezen in de juiste situatie.
  5. Voor het leren van taal is het belangrijk dat de persoon goed werkende ogen en oren heeft. Een kind dat doof of blind heeft een grote kans op een taalontwikkelingsachterstand. Laag begaafde kinderen hebben vaker een vertraagde taalontwikkeling en een vergrote kans op een achterstand.

De taalontwikkeling van uw kind ingedeeld in leeftijd.

Leeftijd 0 – 9 maanden:

  • Het huilen en maken van jammer geluiden
  • Het maken van de eh-klanken
  • Het eerste brabbelen met bijvoorbeeld bububu klanken

Leeftijd 9 – 12 maanden:

  • Het imiterend van brabbelen, uw kind oefent met de klanken die het hoort vanuit zijn omgeving
  • Spreek woorden na maar gebruikt ze zelf nog niet
  • Begrijpt simpele taken en voert een simpele taak uit
  • Begrijp steeds meer woorden
  • Een kind 1 jaar brabbelt veel en gevarieerd
  • Brabbelt veel tijdens het spellen en bedenkt zo een heel verhaal.
  • Het kind kent 70 woorden

Leeftijd 1½ jaar:

  • Het kind is uitgebreid aan het brabbelen
  • De eerste woorden, de woordopbouw is vaak nog onvolledig en woorden zijn lastig te verstaan
  • Het kind kan de /p/, /t/, /m/ en /n/ aan het begin van een woord goed maken.
  • Het kind kan nee zeggen maar ja is lastig
  • Begint met woorden samen te voegen thee heet
  • Nog geen begrip van de taalregels
  • Het kind verwisseld nog vaak de medeklinkers
  • Het kind kent 300 woorden

Leeftijd 2 jaar

  • Het brabbelen neemt af en uw kind maakt steeds meer gewone woorden
  • Het kind begint met het maken van een zin met 2 woorden zoals auto weg, hebben koek
  • Het kind kan de /k/, /s/, /x/ en /h/ aan het begin van een woord goed maken
  • Het kind begint ziet naast ik, ook hij, zij, wij
  • Start met mij en jou
  • Vragen met wat en waarom?
  • Woorden in verleden tijd komt er -de achter.
  • Bij 2,5 jaar is de woordenschat ca. 400 – 500 woorden
  • Het kind is voor 50% verstaanbaar

Leeftijd 3 jaar:

  • Het kind maakt zinnen van 3 -5 woorden
  • De zinsopbouw is nog niet goed.
  • Begrip voor taalregels ontstaat
  • De woordenschat breidt zich uit
  • Geen moeite met medeklinkers, behalve bij moeilijke dubbele combinaties bijvoorbeeld weps – wesp of toel word stoel
  • Het kind heeft een waarom fase en luistert hierbij goed naar wat er als antwoord komt en stelt dan weer de vraag waarom?
  • Het kind is voor 75% verstaanbaar

Leeftijd 4 jaar:

  • Er is een uitbreiding medeklinkers en verbindingen
  • De letters /l/,/r/,/sch/,/fl/,/kn/ en /zw/ kunnen nog moeilijk zijn
  • De belangrijkste grammaticale regels worden grotendeels goed toegepast
  • De zinnen worden langer
  • Het kind is verstaanbaar voor vreemden

Leeftijd 5 jaar:

  • Vrijwel alles is verstaanbaar
  • De letters /r/ en /sch/ kunnen nog moeilijk zijn
  • De klanken eu, au, ou, ui kunnen lastig zijn bij het hakken en plakken

Leeftijd 6 jaar:

  • Het kind kan alle losse klanken en medeklinkercombinaties maken
  • Het kind kan nog moeite hebben met het uitspreken van woorden met drie of meer medeklinkers achter elkaar, zoals straat, herfst, spreeuw
  • Heeft ca. 500 – 3000 woorden ter beschikking (passief)

3 Behandeling

Interactief voorlezen is voorlezen met ruimte voor inbreng van uw kind. Simuleren van begrijpend luisteren en de woordenschat. Onderzoek wijst uit dat kinderen die van jongs af aan zijn voorgelezen betere leerprestaties hebben op school. Ze zijn gemotiveerd om te leren lezen, ze zijn taalvaardiger en ze begrijpen teksten beter. Interactief voorlezen blijkt bovendien een effectieve methode om taalachterstand te verminderen. Het is daarom van belang dat jonge kinderen regelmatig worden voorgelezen.

De diagnose taalontwikkelingsstoornis of TOS

  • Zit u kind op de kinderdagverblijf, peuterspeelzaal of op school vraag aan de leerkracht om de signalen van uw kind op schrijven en neem deze brief mee naar de huisarts. De school heeft een goed zicht op de taalontwikkeling van uw kind en weet de problematiek achter de achterstand.
  • De huisarts en het CJG kunnen vaststellen of er een achterstand is en kan uw kind door verwijzen naar een logopedist of naar het audiologisch centrum. Het audiologisch centrum en de logopedist word alleen vergoed als er een verwijsbrief is van de huisarts. In het audiologisch centrum werken specialisten op het gebied van taal, spraak en gehoor. Zij kunnen uw kind onderzoeken op die gebieden en verwijzen naar een behandelgroep of naar een logopedist.

4 Gevolg

  • Zomerverval is dat kinderen 1 a 2 AVI-niveau’s terug vallen. Dit is vaak in de zomervakantie, wanneer er weinig gelezen word. Kinderen die net hebben leren lezen en nog beginnende lezers zijn (groep3 & 4) maar ook kinderen met een leesachterstand hebben het nodig regelmatig te oefenen met lezen, zodat de directe woordherkenning op gang blijft.
  • Een taalachterstand die verder kan oplopen. Door de taalachterstand kan het zijn dat uw kind minder gaat praten of moeite heeft met contacten leggen of onderhouden en hierdoor minder of geen contacten heeft.
  • Door het minder begrijpen van de taal kan het zijn dat leerprestatie achteruit gaan.

5 Plan

  1. Hoe kan ik mij kind nieuwe woorden aanleren? Gebruik de plaatjes uit een prentenboek of voorwerpen om nieuwe woorden aan te leren. Praat veel met uw kind. Kinderen hebben veel herhaling nodig om woorden te leren begrijpen en gebruiken. Denk bij het aanleren van nieuwe woorden aan het inzetten van alle zintuigen: zien, ruiken, voelen.
  2. Maakt uw kind foutjes met het vervoegen van de werkwoorden? Herhaal dan de zin met de goede werkwoordsvorm. Wacht 5 tellen en zeg het woord dan pas voor. Sommige kinderen hebben nl meer tijd nodig.
  3. Hoe stimuleer je taalverwerving? Praat met je kind, lees voor en maak plannen: ‘Gaan we een hut bouwen? Met welke materialen?’ Hoe kom je erachter welke begrippen je kind kent? Stel veel vragen, bijvoorbeeld tijdens een verstopspelletje. Tweetalig opvoeden gaat niet te koste van het Nederlands. Taalverwerving kan dan echter wel iets langer duren.
  4. Begrijpend lezen Voor een voldoende niveau van begrijpend lezen hebben kinderen kennis van de wereld om hen heen en een voldoende woordenschat nodig. Begrijpend lezen begint niet op het moment dat kinderen leren lezen. De ontwikkeling start met begrijpend luisteren al vanaf geboorte!
  5. Heeft uw kind moeite met lezen? Leer uw kind het woord in stukken te verdelen. Het lezen is dan gemakkelijker. Praat uw kind weinig? Stel dan niet te veel vragen. Vertel liever zelf iets waarop uw kind kan reageren. Bij woordvindingsproblemen hebben kinderen meer tijd nodig om het juiste woord uit de woordenschat te zoeken. Wacht 5 tellen en zeg het woord dan pas voor, sommige kinderen hebben meer tijd nodig. Denk bij het aanleren van nieuwe woorden aan het inzetten van alle zintuigen: zien, ruiken, voelen. Uitbreiden van woordenschat.
  6. Een beloningssysteem om samen een leuke activiteit te ondernemen en de taal te stimuleren. Speel samen met uw kind ook eens een geluidenlotto spel. Oefen thuis het nazeggen van zinnen en reeksen woorden, zo stimuleert u het geheugen van uw kind. Wanneer u kind goed heeft geoefend kunt u dit aangeven op het systeem en een beloning naar 5x.
  7. Wilt u het lezen van boeken stimuleren? Zorg dan dat er thuis boeken aanwezig zijn en dat uw kind ze makkelijk zelfstandig kan pakken. Zorg ervoor dat de boeken aansluiten bij de interesse van uw kind.
  8. Zorg dat het voor uw kind duidelijk is wanneer het even hard op gaat lezen. Plan een vast lees moment in op de dag van ongeveer 15 minuten per keer. Doet dit niet direct na dat uw kind van school komt maar bijvoorbeeld naar het avond eten. Maak het visueel door gebruik te maken van pictogrammen in de volgorde van lezen of door het in te plannen op een kalender. Lees in begin maximaal maar een paar regels en breid dit steeds ver uit aan de hand hoe goed het gaat. Zorg dat uw kind ontspannen is als het gaat lezen dat het daarbij een actieve houding heeft. Dit is bijvoorbeeld met beide voeten op de grond. Om de ogen te ondersteunen kan uw kind gebruik

Spelletjes om de woordenschat te bevorderen.

  • Maak samen met uw kind een vakantiedagboek, met foto’s, verhalen, tekeningen, folders, kaartjes etc. Laat uw kind een eigen reisverslag maken met tekeningen, bonnetjes, entreebewijzen… zo wordt praten leuk
  • Bij een Praatplaat gaat het om een afbeelding of kunstwerk die ervoor zorgt dat u en uw kind samen aan de praat raken over een onderwerp. Hierbij kunt u de plaat woordkaarten gebruiken waarop de woorden behorend bij de foto of tekening geschreven staan. Zo leert uw kind de woorden te benoemen, maar hij of zij kan ook associaties geven bij de plaat. Zo kan uw kind bijvoorbeeld vertellen wat hij/zij ziet, voelt of wat voor ervaring hij/zij er zelf mee heeft, maar ook hoe ze denkt dat anderen erover denken. Stel hierbij de vragen: – Omschrijf eens wat je ziet? – Welke onderdelen zie je? – Welke associaties heb je bij het onderwerp?
  • Schuursponsletters. Maak van een schuursponsjes de letters van het alfabet. Door met u vinger over de ruwe kant gaan, kan uw kind de letter volgen en zo na schrijven, hierbij kan uw knd de letter uitspreken, dit geeft een motorische ondersteuning van de klanktekenkoppeling. Met de spons kunt u letters stempelen! Een variatie hier op is om de spons te knippen in de vorm van kegels voor Spons-bowling! De letters die omvallen maakt u kind een woord mee of meerdere woorden.
  • Heeft u thuis ook een lettermuur? Bij elke letter verzamelt u samen met uw kind plaatjes, voorwerpen, tekeningen en woorden. Oefen spelenderwijs en maak bijvoorbeeld samen een alfabet van plaatjes. Knip plaatjes uit en schrijf de letters erbij! U kunt samen met uw kind een letter van hout of karton maken en deze omwikkelen met wol. Bij de hobbywinkel verkopen ze houten letters, natuurlijk kunt u deze ook zelf uitzagen. Klaar met het omwikkelen van de letter? Versieren dan maar! U kunt denken aan vilt, knopen of natuurlijk ander materiaal. Maak thuis eens een woordmuur rond een bepaald thema. Hang daar woorden op zowel geschreven als met een plaatje.
  • Maak ook eens een woordpiramide om de woordenschat te oefenen. Laat uw kind een woord opschrijven van drie letters (bijvoorbeeld tak). U voegt hieraan een letter toe en maakt met die letters een nieuw woord (bijvoorbeeld kant). Uw kind voegt een vijfde letter toe (bijvoorbeeld krant). Hoeveel woorden passen er in de piramide?
  • Maak een woordenslang samen met uw kind (mondeling of schriftelijk) bijv. poes- slang – geit. Loop eens samen met uw kind in huis of de tuin en vertel elkaar welke materialen, kleuren en vormen u tegenkomen. Bedenk een woord en beschrijft dit, zonder het woord zelf te noemen. Het kind moet het woord proberen te raden. Wanneer u buiten bent met uw kind, vertel dan aan uw kind wat u onderweg tegenkomt. Bedenk samen met de letters uit een woord zoveel mogelijk woordjes en schrijf deze op. Wie heeft de meeste woordjes bedacht? Bijvoorbeeld: ‘handschoen’: hand, schoen, had, dan, doen, schande.
  • Geef een omschrijving van een woord en laat uw kind het bedoelde woord raden. Een … is een meubelstuk met vier poten waarop je kunt zitten. Een … is een ding waarmee je kunt schrijven. Een … is een ding waarmee je kunt vliegen.

Mondmotoriek

  • Leuke activiteit voor op deze zondagmiddag: Schilderijen maken met blaasstiften (blowpens).
  • Met rietjes kun je ook papieren pijltjes of vliegtuigjes schieten. Wist u dat er naast dunne, dikke, korte en lange rietjes ook hele leuke andere rietjes te verkrijgen zijn?
  • Wist u dat door een rietje drinken niet alleen praktisch is ter voorkoming van knoeien maar ook goed is voor de mondmotoriek? Blaasvoetbal is leuk voor op de camping of thuis. Nodig: rietjes, pingpongbal of watje en een tafel.Bellenblazen: leuk voor jong + oud, EN goed voor lipspieren en ‘t leren richten en doseren van luchtstroom.
  • Leuk om te doen en te maken voor bv papa, mama, opa, oma. Een brief/tekening met kusmondjes
  • Heeft uw kind vaak de mond open? Laat het met bv een ijsstokje tussen de lippen (niet tussen de tanden) een verhaal beluisteren
  • laat uw kind zelf de strandbal eens opblazen
  • Jong van start met drinken uit een beker goed voor ontwikkeling mondspieren en leren praten. Gratis prentenboek app “Timo en het toverstokje” zologotip prentenboek app van @RianVisser http://books2download.nl/
  • Papieren pijltjes door pvc buisjes blazen blijft leuk, voor jong én oud. Wie komt t verst?

Overige

  • Woordkasteel is een leuke oefensite voor spelling en taal http://www.woordkasteel.com
  • Wanneer u uw kind insmeert met bv zonnebrandcrème, benoem dan alle lichaamsdelen
  • Spellen zoals kwartet of memory zijn leuk én goed voor de taalontwikkeling van uw kind. Tip bij het memory spelen: Benoem de plaatjes bij het omdraaien of bedenk er een zin bij.
  • Spel voor onderweg of op een regenachtige dag thuis of op vakantie: samen een verhaal bedenken, om de beurt een zin toevoegen
  • Doe een taalspelletje: ik ga op reis en ik neem mee… Of deze: Ik ga naar het strand/de camping en ik neem mee… Ik ga naar de dierentuin en ik zie… Ik ga naar de winkel en ik koop
  • Spel onderweg: “Waar ben ik?” Bedenk een plek, bv In de auto, keuken of op zee. Er mogen alleen ja/nee vragen gesteld worden ‘Ben ik een banaan?’ reisversie: je neemt iets/pers. in je hoofd, probeer door slim vragen stellen te achterhalen wie/wat je bent

Soebar.nl™

Soebar.nl™

Soebar.nl is een website voor het gezin over dagelijkse problematiek bij bijvoorbeeld de opvoeding of financieel. Het kenniscentrum is er voor iedereen die graag meer informatie, tips en/of advies wilt, wij zijn voornamelijk gericht op adviezen voor minima gezinnen en gezinnen met psychische en financiële problematiek.