Taalontwikkeling naar leeftijd

Hoeveel woorden kent mijn kind? Vanaf de 18 maanden groeit de woordenschat explosief. Aan het einde van de basisschool kent uw kind minimaal 15.000 woorden. Dit is nodig om een goede start te kunnen maken op het voorgezet onderwijs. De woordenschat van kinderen die veel lezen is in het algemeen 4 keer zo groot dan die van kinderen die zelden of nooit Voordat een kind taal zelf gebruikt, moet hij het eerst begrijpen. Bied dus veel taal aan door voorlezen en benoemen. De leeswoordenschat bouwt voort op de mondelinge woordenschat. Vroege interventie is dan ook van belang!

De taalontwikkeling van uw kind ingedeeld in leeftijd.

Leeftijd 0 – 9 maanden:

  • Het huilen en maken van jammer geluiden
  • Het maken van de eh-klanken
  • Het eerste brabbelen met bijvoorbeeld bububu klanken

Leeftijd 9 – 12 maanden:

  • Het imiterend van brabbelen, uw kind oefent met de klanken die het hoort vanuit zijn omgeving
  • Spreek woorden na maar gebruikt ze zelf nog niet
  • Begrijpt simpele taken en voert een simpele taak uit
  • Begrijp steeds meer woorden
  • Een kind 1 jaar brabbelt veel en gevarieerd
  • Brabbelt veel tijdens het spellen en bedenkt zo een heel verhaal.
  • Het kind kent 70 woorden

Leeftijd 1½ jaar:

  • Het kind is uitgebreid aan het brabbelen
  • De eerste woorden, de woordopbouw is vaak nog onvolledig en woorden zijn lastig te verstaan
  • Het kind kan de /p/, /t/, /m/ en /n/ aan het begin van een woord goed maken.
  • Het kind kan nee zeggen maar ja is lastig
  • Begint met woorden samen te voegen thee heet
  • Nog geen begrip van de taalregels
  • Het kind verwisseld nog vaak de medeklinkers
  • Het kind kent 300 woorden

Leeftijd 2 jaar

  • Het brabbelen neemt af en uw kind maakt steeds meer gewone woorden
  • Het kind begint met het maken van een zin met 2 woorden zoals auto weg, hebben koek
  • Het kind kan de /k/, /s/, /x/ en /h/ aan het begin van een woord goed maken
  • Het kind begint ziet naast ik, ook hij, zij, wij
  • Start met mij en jou
  • Vragen met wat en waarom?
  • Woorden in verleden tijd komt er -de achter.
  • Bij 2,5 jaar is de woordenschat ca. 400 – 500 woorden
  • Het kind is voor 50% verstaanbaar

Leeftijd 3 jaar:

  • Het kind maakt zinnen van 3 -5 woorden
  • De zinsopbouw is nog niet goed.
  • Begrip voor taalregels ontstaat
  • De woordenschat breidt zich uit
  • Geen moeite met medeklinkers, behalve bij moeilijke dubbele combinaties bijvoorbeeld weps – wesp of toel word stoel
  • Het kind heeft een waarom fase en luistert hierbij goed naar wat er als antwoord komt en stelt dan weer de vraag waarom?
  • Het kind is voor 75% verstaanbaar

Leeftijd 4 jaar:

  • Er is een uitbreiding medeklinkers en verbindingen
  • De letters /l/,/r/,/sch/,/fl/,/kn/ en /zw/ kunnen nog moeilijk zijn
  • De belangrijkste grammaticale regels worden grotendeels goed toegepast
  • De zinnen worden langer
  • Het kind is verstaanbaar voor vreemden

Leeftijd 5 jaar:

  • Vrijwel alles is verstaanbaar
  • De letters /r/ en /sch/ kunnen nog moeilijk zijn
  • De klanken eu, au, ou, ui kunnen lastig zijn bij het hakken en plakken

Leeftijd 6 jaar:

  • Het kind kan alle losse klanken en medeklinkercombinaties maken
  • Het kind kan nog moeite hebben met het uitspreken van woorden met drie of meer medeklinkers achter elkaar, zoals straat, herfst, spreeuw
  • Heeft ca. 500 – 3000 woorden ter beschikking (passief)

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.