5g schema

  1. Print het schema uit
  2. Het schema kunt u dagelijks bijhouden om er achter te komen welke emoties en welke gevoelens u triggeren. Het G-schema is een hulpmiddel dat gebruikt kan worden om erachter te komen welke (onbewuste of automatische) gedachten ertoe leiden dat een bepaalde gebeurtenis bepaalde gevoelens bij u oproept.
    1. Welke gedachten heeft u en waar komen deze vandaan? Deze gedachten zijn zorgen voor uw gevoel en uw emoties.
    2. Vervang de gedachten die u heeft door andere gedachten, door aan leuke dingen te denken.
    3. Hoe zou uw gevoel willen veranderen? Wat is hiervoor nodig?
    4. Welke gevolgen kan het hebben wanneer u de gevoelens en gedachten houd? Of dat u er iets aan gaat doen? Beschrijf eerst de gebeurtenis en het gevoel. Ga pas dan op zoek naar de verbindende gedachte(n) die over die gebeurtenis gaan en leiden tot het gevoel. Uitdagen van een gedachte:
    • Neem een gedachten in gedachten
    • Wat is de geloofwaardigheid van de gedachte? (0 tot 10)
    • Schrijf meerder alternatieve gedachten op
    • Wat is de geloofwaardigheid van al die gedachten (0 tot 10)
    • Hoe zeer gelooft u nog in de oorspronkelijke gedachte gelooft (0 tot 10).
  3. Hoe werkt het schema? Het schema kunt u wekelijks uitprinten en in een schrift of map bij elkaar bewaren, zodat u een overzicht heeft van een lange tijd en u de problematiek kan vergelijken met andere weken. Zo weet u of het beter gaat en wat de vorderingen zijn of waar nog extra aandacht aan moet worden besteed. Een 1 is slecht 10 is geweldig.   Stap 1. Wanneer u een vervelend gevoel merkt bijvoorbeeld somberheid. Zet dit gevoel in het schema. Stap 2. Schrijf bij gebeurtenis alleen op wat objectief is waar te nemen. Stap 3. Welke gedachten gaan er door uw hoofd? Stap 4. Schrijf op wat uw deed, uw gedrag. Stap 5. Schrijf vervolgens op hoe u uw in de beschreven situatie zou willen voelen en wat u zou willen doen. Stap 6. Stel bij elke gedachte die u heeft opgeschreven kritische vragen:
    • Is de gedachte waar?
    • Helpt deze gedachte mij om mijn doelen te bereiken?
    • Wat is de trigger achter de gedachten? Hoe kunt u deze aanpakken? Wat is daarvoor nodig?
  • Bang = Waar was u bang voor? Wat heeft u angst gegeven?
  • Boos = Hoe kwam u boos? Wat is er gebeurt? Bent u echt kwaad geworden?
  • Blij = Waar werd u blij van? Heeft dit een vervolg? Is het een idee voor het afleidingsschema?
  • Bedroefd = Waar werd u bedroeft van? Is er iets naars gebeurt? Heeft u veel gedachten hierover?
  • Gebeurtenis = Heeft u iets leuks beleeft? Ben u een stapje verder naar herstel?
  • Gedachten = Waren u gedachten positiefs gestemd? Zo nee, wat kunt u doen om ze beter af te stemmen?
  • Gevoel = Voelde u zich goed deze week? Had u minder last van uw emoties, gevoel en/of gedachten?
  • Gedrag = Bent u lekker naar buiten geweest? Heeft u goed gegeten? Alle administratie op orde en uw huis ook?
  • Gevolg = Van welke triggers had u last?

Het gedrag van een persoon is verbaal of non verbaal. In het onderstaande schema kunt u terug lezen welk soort gedrag u heeft. Door u bewust te zijn van uw gedrag achter het gevoel kunt u de trigger van het gevoel verminderen.

Schema 2